Shopping Cart
Your Cart is Empty
Quantity:
Subtotal
Taxes
Shipping
Total
There was an error with PayPalClick here to try again
CelebrateThank you for your business!You should be receiving an order confirmation from Paypal shortly.Exit Shopping Cart

Baka Inu Saarlooswolfhonden

Voor een gezonde Saarloos met een goed karakter

Mijn Blog

Blog

view:  full / summary

Lezing Walter Strikkers over HD/ED/PL georganiseerd door de AVLS

Posted on May 26, 2016 at 10:31 AM Comments comments (26)
Lezing Walter Strikkers april 2016
Er zijn maar weinig mensen binnen de Saarloos wereld  die Walter niet kennen. Al jaren komen eigenaren naar de Sleeuwijkse kliniek om aldaar heup- en/of elleboogfoto’s te laten maken voor de beoordeling door de Raad van Beheer. Walter heeft dan ook menig Saarloos op tafel gehad.
Een hele goede reden om Walter eens uit te nodigen voor een informatieve lezing over drie aandoeningen die bij de Saarloos voorkomen: heupdysplasie, elleboogdysplasie en patella luxatie.
Donderdag 28 april was het dan zover. In Woudenberg kregen geïnteresseerden de mogelijkheid om de lezing te volgen en Walter aan de tand te voelen.
Walter startte zijn lezing met een kort praktijk voorbeeld van een pup die hij zelf had aangeschaft uit een ouderpaar waarvan de dieren allebei de heupscore HD-E hadden gekregen. Ondanks dit, had hij er de volste vertrouwen in dat zijn pup onder de juiste begeleiding zou uitgroeien tot een volwassen hond zonder symptomen en hij wilde de lezing gebruiken om uit te leggen waarom.
De lezing had een zeer duidelijke opbouw: van elke aandoening werden  apart de oorzaken, gevolgen en de preventie besproken.

Heupdysplasie
Een normaal heupgewricht bestaat uit een ronde kop van het bovenbeen ( de femur), welk precies past in de heupkom en voor ongeveer 50% het acetabulum overdekt. Het woord dysplasie komt uit het Grieks en betekent vrij vertaald  abnormale formatie of ontwikkeling.
Dit houdt dus in dat heupdysplasie een ontwikkelingsstoornis is van het heupgewricht. De aansluiting tussen de kop en de kom neemt af en beiden verliezen hun ronde vorm. De heupkom wordt ondieper en er ontstaan botwoekeringen. In sommige gevallen scheurt de verbindingsband tussen kop en kom, het ligamentum  teres.  Het kraakbeen in het gewricht neemt af in kwaliteit en ook de gewrichtsvloeistof verandert van samenstelling waardoor het gewricht minder goed wordt “gesmeerd”. Door deze misvorming in het gewricht kan er artrose ontstaan en wordt de beweeglijkheid van het heupgewricht nog minder. De klachten die vanuit heupdysplasie ontstaan kunnen erg verschillend zijn.
De oorzaken van deze afwijkende ontwikkeling zijn moeilijk om precies te achterhalen. Wel is bekend dat heupdysplasie een erfelijkheidsfactor heeft van 0,1. Dit houdt in dat de omgevingsfactor 0,9 is en de invloed van de omgeving op de ontwikkeling van het heupgewricht groot is! Een voorbeeld van een erfelijke factor is de bouw van het skelet van sommige hondenrassen. Deze is zo afwijkend dat het heupgewricht geen kans krijgt om zich te ontwikkelen.  Er zijn een aantal genen die een rol spelen in de laxiteit ( van het heupgewricht en die onder andere door mydogDNA op kaart worden gezet. Er is echter nog geen gedegen onderzoek gedaan naar de correlatie tussen deze genen en heupdysplasie.
Deze omgevingsfactoren bestaan uit voeding, overbelasting en letterlijk de omgeving. De voeding van de opgroeiende hond dient een laag calciumpercentage(1%)  te hebben om problemen in de botgroei te voorkomen. Ook mag een jonge hond niet te dik zijn. Daarnaast is het bij beweging van belang dat de jonge hond gelijkmatige en rechtlijnige beweging aangeboden krijgt en niet overbelast wordt. Aan de fiets nemen van de jonge hond is dus niet eens zo slecht mits de beweging maar wordt opgebouwd en de hond niet overbelast raakt.
Overige omgevingsfactoren hebben allen een doorwerking op het belasten van de heup. Denk hierbij aan gladde vloeren en traplopen.

De “heupfoto”
Om met de Saarloos te kunnen fokken dien je eerst officiële heupfoto’s te laten maken die vervolgens dor de raad van Beheer worden beoordeeld. Op basis van deze beoordeling krijgt je hond een heupscore. Maar is deze manier van beoordelen zinvol?
De manier waarop er bij onze honden foto’s worden genomen, stamt uit de jaren ’60 en is te vergelijken met een diagnose foto van de mens. Alleen staat de hond nu eenmaal anders op zijn pootjes als de mens op zijn benen.

In 1983 ontwikkelde een dierenarts een nieuwe methode om de heup bij de hond te bekijken en in 1993 werd deze methode, de PennHIP-methode, geïntroduceerd in Amerika.
De PennHIP  geeft een betere voorspelling op het ontstaan van HD op oudere leeftijd dan de traditionele methoden, uitgedrukt in een getal: de distractie-index.
De PennHIP methode richt zich op het meten van de heuplaxiteit op jonge leeftijd  en geeft een voorspellende waarde met 85-95% accuraatheid op het ontstaan van HD op latere leeftijd. Het onderzoek bestaat uit een neutrale opname van de heupen in gestrekte toestand (zoals in het traditionele onderzoek), dan een opname waarbij de kop maximaal in de kom wordt gedrukt en tenslotte een opname waarbij de kop maximaal uit de kom wordt gedrukt. Tijdens het onderzoek wordt dus de heup laxiteit gemeten, die aangeeft hoe strak de kop in de kom zit. Als de kop niet strak genoeg in de kom zit, dan is er sprake van een abnormale beweeglijkheid van het gewricht. Die abnormale beweeglijkheid leidt tot vervorming van het gewricht en het ontstaan van artrose. Dus er ontstaat heupdysplasie.
De laatste twee opnamen worden met elkaar vergeleken en op basis daarvan wordt er een distractie-index berekend. De distractie-index is dus een goede maat voor de kans op het ontstaan van HD op latere leeftijd. Dieren met een lage DI hebben een kleinere kans op HD dan dieren met een hogere DI. De DI is een getal tussen 0 en 1, waarbij 0 zeer strakke heupen betekent en 1 staat voor een erg los heupgewricht. Omdat voor het onderzoek de hond volledig ontspannen moet zijn en ook voor de comfort van de hond, moeten deze opnamen onder narcose gebeuren. De drie röntgenopnamen worden naar Amerika gestuurd voor een beoordeling. Dit onderzoek kan enkel gebeuren door gekwalificeerde dierenartsen. In de PennHIP database komen inmiddels 170 rassen voor.

Het voorkomen van heupdysplasie
Over het voorkomen van heupdysplasie was Wouter kort maar krachtig. Zorg als fokker voor de juiste selectie van ouderdieren en informeer de pupkoper goed over de leefomstandigheden en opvoeding van de pup. Voor de eigenaar geldt dat deze goed moet kijken naar de voeding van de hond qua samenstelling en hoeveelheid. Daarnaast dient de hond optimale beweging aangeboden te krijgen in type, tijd en frequentie (voornamelijk rechtlijnig, opbouwend in tijd en frequentie).

Elleboogdysplasie
Elleboogdysplasie is een verzamelnaam voor een aantal voornamelijk erfelijke aandoeningen aan de ellebogen van de hond. De erfelijkheidsfactor bij elleboogdysplasie is viermaal hoger als die van heupdysplasie. Evenals bij heupdysplasie zal de erfelijke aanleg bepaald worden door een aantal genen (polygenetisch) en is het nog niet duidelijk om welke genen het draait.
 Milieufactoren spelen zeker ook een rol en kunnen de ontwikkeling op een negatieve manier beïnvloeden. Deze factoren zijn dezelfde als die bij heupdysplasie.
Er worden vier typen elleboogdysplasie onderscheiden:
Incongruentie
Wanneer de ellepijp en het spaakbeen niet goed op elkaar aansluiten wordt er gesproken van incongruentie. Dit wordt veroorzaakt door lengteverschil tussen het spaakbeen en de ellepijp.  Door middel van een operatie is dit redelijk goed te verhelpen, al zijn het geen lichte operaties.
LPC
Een LPC of "Los Processus Coronoideus" is een los stukje bot van de ellepijp in het ellebooggewricht.  . Heeft een hond last van een LPC dan is het zaak dit losse stukje bot zo snel mogelijk te verwijderen. Dit voorkomt artrosevorming.
LPA
Het Processus Anconeus is een botpunt van de ellepijp dat zich aan de bovenkant van het ellebooggewricht bevindt.  Tijdens de groeifase hoort het Processus Anconeus vast te groeien aan de ellepijp. Wanneer dat niet gebeurt, spreekt men van een LPA, een Los Processus Coronoideus. Ook een LPA dient zo snel mogelijk verwijderd worden om artrosevorming te voorkomen.
OCD
OCD of Osteochondrosis Dissecans is een beschadiging van het kraakbeen waarbij vaak een stukje los komt te liggen. Dit stukje kan verbenen en voor ernstige irritatie zorgen in het gewricht. Dit is zeer pijnlijk voor de hond. Uiteindelijk zal dit leiden tot artrose en het stukje dient op korte termijn verwijderd te worden om artrosevorming tegen te gaan.
Deze aandoeningen veroorzaken pijn en dus kreupelheid bij de hond. De aandoeningen treden al op in het eerste levensjaar.
 
Beoordeling op elleboogdysplasie
Om een hond te kunnen beoordelen op elleboogdysplasie dienen er van elke elleboog vier foto’s gemaakt te worden. Ook deze foto’s worden opgestuurd naar de Raad om beoordeeld te worden. De uitslag wordt weergegeven in de status “vrij”, één van de aandoeningen of artrose. In het geval dat er een aandoening wordt geconstateerd, wordt er ook een graad (grensgeval, graad 1/m 3) toegekend.
Het voorkomen van elleboogdysplasie
Aangezien de erfelijkheidsfactor van elleboogdysplasie viermaal hoger is dan heupdysplasie, is het voor de fokker van belang om informatie te verzamelen over de ouderdieren en verwanten, net als bij iedere andere aandoening. In ons ras worden er nog weinig dieren op elleboogdysplasie onderzocht. Walter pleit ervoor dit wel te gaan doen. Het is aan de fokker zelf om hier een relevantie in te zien.
Evenals bij andere gewrichtsaandoeningen is ook hier weer van belang dat de jonge hond evenwichtige voeding krijgt met een laag calciumgehalte en dat ook de hond optimale beweging aangeboden krijgt  in type, tijd en frequentie.

Patella luxatie
De knieschijf (patella) ligt normaal gesproken in een kraakbeensleuf aan het onderste gedeelte van het bovenbeen. Bij patella luxatie schiet deze van zijn plaats (naar binnen of naar buiten). De knieschijf heeft een belangrijke functie in het mechanisme van de kniebuiging. Bij een luxatie van de knieschijf valt deze functie weg, waardoor de hond niet meer goed op dit been kan steunen.
Knieschijfluxatie kan aan één poot voorkomen maar vaker is het helaas beiderzijds. Patella luxatie uit zich vaak in de zeer jonge hond (2 tot 8 maanden) maar kan ook op latere leeftijd zijn intrede doen.
Er zijn twee soorten patella luxatie: mediale luxatie waarbij de knieschijf naar binnen verplaatst, en laterale luxatie, waarbij de knieschijf naar buiten verplaatst.
Patellaluxatie kan in verschillende gradaties voorkomen:

Graad 1: Bij een gestrekte poot is de knieschijf met de hand te verplaatsen. Wanneer de poot weer in de normale stand staat schiet de knieschijf vanzelf weer terug.
Graad 2: Hierbij schiet de knieschijf er regelmatig naast en blijft dan in geluxeerde positie voor kortere of langere tijd.  Door het regelmatig op en af schieten van de knieschijf ontstaan artrose en afvlakking van de kraakbeensleuf.
Graad 3: De knieschijf is permanent van zijn plek. Wanneer de knieschijf weer in de goede positie gezet wordt schiet deze er vanzelf weer uit. De kraakbeensleuf is ondiep of zelfs afgevlakt.
Graad 4: De knieschijf is permanent geluxeerd en de kraakbeensleuf is afgevlakt.
Oorzaken van patella luxatie:
De erfelijkheidsfactor van patella luxatie is niet bekend, maar men vermoedt dat deze zeer hoog is omdat deze aandoening sterk gerelateerd is aan een afwijkende bouw van het skelet.
Patella luxatie wordt altijd chirurgisch behandeld en het is afhankelijk van de graad hoe zwaar de ingreep is.

Enkele voorbeelden:
Bij een afwijkende stand van de heupkop en –hals kan er een O- benige stand optreden. Het onderste derde gedeelte van het dijbeen is dan naar binnen gebogen. Hierdoor ligt de patella onstabiel in de groeve.
Daarnaast kan de groeve van de trochlea  erg ondiep in aanleg zijn.
Ook de plaats waar de kniepees aanhecht kan naar binnen gedraaid zijn.
Verder is het naar binnen staan van de voeten of een buiging van het scheenbeen naar binnen toe een oorzaak van een knieschijf die verschuiven kan.
Naast de erfelijke factor speelt ook de ontwikkeling een rol. Een ontwikkelingsstoornis van de binnenste rolkam van het dijbeen, waardoor deze te klein blijft, geeft ook een verhoogd risico op patella luxatie. Ook trauma kan patella luxatie veroorzaken, al is dit zeldzaam.
E zijn geen officiële testen voor patella, maar de dierenarts kan met een speciale handgreep vrij simpel voelen of de knieschijf goed en stevig op zijn plaats zit.

Het voorkomen van patella luxatie
Als eerste is het van belang dat lijders worden uitgesloten van de fok. Daarnaast moet er goed gelet worden op de bouw van de achterbeenderen van de dieren die woren ingezet voor de fok. Hierbij is het belangrijk dat er kritisch gekeken wordt naar de beweging van de hond en dat een eigenaar niet blind is voor eventuele afwijkingen in het gangwerk die kunnen duiden op aandoeningen.
Uiteraard is een goede bespiering en juiste afgestemde voeding (de hond mag niet te zwaar worden) ook van belang om de knieschijf op zijn plek te houden.
Ter afsluiting
Het moge duidelijk zijn dat veel gewrichtsaandoeningen naast een erfelijke component, ook omgevingsafhankelijk zijn. Preventie door middel van uitgebalanceerde voeding en beweging zijn gewrichtsaandoeningen te voorkomen, zelfs wanneer de erfelijke aanleg aanwezig is. 
 

Algemeen:
Proefschrift over de genetische factoren in heup-, elleboogdysplasie en patella luxatie in rashonden. Door dr. Ineke Lavrijsen.
dspace.library.uu.nl/bitstream/1874/294109/1/Lavrijsen.pdf



Rss_feed